de startpositie

De start positie

De juiste starthouding is net zo belangrijk als de eerste passen na het starschot. Een goede startpositie zorgt ervoor dat het lichaam klaar staat om zo snel mogelijk te reageren en accelereren naar een maximum snelheid. Neem dus de tijd om de startpositie te oefenen voordat je begint met het oefenen van het starten.

Deze startpositie moet worden geoefend, geoefend en nog eens geoefend net zolang totdat dit een gewoonte is geworden (reflexmatig). Ga naar de startlijn, neem de positie in, ga weer terug, etc. Blijf dit herhalen zonder een echte start uit te voeren. Pas wanneer de juiste startpositie een gewoonte is kunnen er echte starts worden geoefend. De spieren zijn dan ‘geprogrammeerd’ en het aannemen van de juiste starthouding gebeurd als in een reflex zonder dat je er bewust over hoeft na te denken.

De start kun je opdelen in 3 onderdelen:

  1. In de juiste starthouding gaan staan (vanaf ‘go to the start’/‘op uw plaatsen’)
  2. Druk opbouwen in je spieren (vanaf ‘ready’/’klaar’)
  3. De uitvoering (vanaf startschot tot de eerste bocht)

Oefening 1

Deze oefening is om fase 1 van de start te oefenen. Dit kan ook op schaatsen zonder dat je met schaatsen op het ijs staat.

  1. Sta achter de lijn met de voeten parallel aan elkaar met  een hoek van 45 graden ten opzicht van de startlijn (afbeelding 1);
  2. Zet de voeten zover uit elkaar, dat ze recht onder je heup staan. Je benen recht onder je!; 
  3. Kantel je bekken voorwaarts (buikspieren aanspannen, navel naar binnen trekken, ronde rug, etc) en zorg ervoor dat dit zo blijft gedurende het innemen van de startpositie!  
  4. Draai je voorste voet zodat je schaats recht naar voren wijst, je draait vanuit je hiel (dus je hiel op zijn plaats houden en tenen naar buiten laten draaien). Let op dat de voorste voet en knie echt naar voren wijzen en zo blijven totdat het startschot klinkt (afbeelding 2);  
  5. Houdt de enkelhoek van voorste been op 90 graden met de punt van de schaats op het ijs, terwijl de hiel van de voorste voet een stukje wordt opgetild van het ijs. Dus niet de hiel optillen door de bovenkant van je voet langer te maken! De knie van dit been moet recht boven de tenen uitkomen. Het gewicht verplaatst zich een stukje naar voren. Houdt dit been en de voet in deze positie totdat het startschot klinkt; 
  6. De knie van het achterste been wordt naar voren gedrukt, waarbij de enkel in een hoek van 90 graden worden gebogen. De schaats staat schuin op het ijs geplaatst zodat het snij gedeelte van de buis in het ijs drukt. Trap je schaats niet in het ijs maar glij met het achterste been een paar keer heen en weer en je kunt maximale druk uitoefenen zonder weg te glijden.

startpositie afbeelding 1startpositie afbeelding 2

In de startpositie moet gevoeld worden dat, de achterste schaats grip heeft in het ijs over de gehele lengte van het ijzer, er iets meer gewicht staat op de voorzijde dan op de achterzijde, de achterste heup dicht onder het lichaam zit en de spieren klaar zijn voor de krachtexplosie naar voren.

Oefening 2

Ga terug naar de basispositie en doe hetzelfde als in stap 1 maar voeg het volgende toe: (ook deze oefening kan met schaatsen aan uitgevoerd worden zonder dat men op het ijs staat)

  1. Beweeg de billen richting het ijs en buig het bovenlichaam naar beneden. Dit wordt op het zelfde moment gedaan als het naar voren drukken van de knie en buigen van de enkel van het achterste been (uit stap 6 van de vorige oefening) Wanneer de enkel stopt met buigen stopt ook het zakken van de billen en het buigen van het bovenlichaam;
  2. Trek een lijn van je achterste enkel naar de knie. Wanneer je de lijn verlengt naar boven moet deze parallel lopen aan de lijn die loopt van de achterste heup tot de schouder (Op de afbeelding is goed te zien dat nr 38 goed en nr 68 te ver met de romp naar beneden staat);
  3. je romp wijst zo ver mogelijk in de richting van de eerste afzet;
  4. Je leunt met ongeveer 60% van je gewicht op het voorste been (de punt) Het gewicht blijft daar totdat het startschot klinkt;
  5. Hou de voorste arm gebogen op borsthoogte. De onderarm is bijna parallel aan de starlijn met de hand open, ontspannen en handpalm richting het lichaam;
  6. Breng de achterste arm met de elleboog gebogen een stukje naar achteren. Daarbij het gewicht rechts achter, als contra voor het lichaamsgewicht boven de voorste schaats. Houdt hierbij de arm en hand ontspannen;
  7. De ogen worden gericht op het rechte stuk ongeveer 10m voor de startlijn of op het eerste blok in de bocht.

Zak langzaam in naar de ‘ready’ positie en zorg ervoor dat je dit op de juiste wijze doet. Het is geen wedstrijd om als snelste de ‘ready’ positie in te nemen. Zak echter ook niet te langzaam in, want dan loop je het risico van het veroorzaken van een valse start of de starter schiet voordat je de juiste starthouding hebt aangenomen. Je kan de tijd en het ritme  bepalen door voor de eigen race een paar starts droog te oefenen.

Gebruikelijke fouten bij het aannemen van de startpositie:
 

  • Bovenlichaam te laag. Dit zorgt ervoor dat er eerst omhoog bewogen moet worden voordat de voorwaartse beweging ingezet kan worden. Dit kan resulteren in het te ver omhoog komen van het bovenlichaam met als gevolgd dat de billen niet meer onder het lichaam zijn en er geen druk meer is op het ijs;
  • Geen knie en/of enkel hoek bij het achterste been met als gevolgd dat er geen druk is op het ijs;
  • Meer gewicht op achterste dan voorste been. Gevolg is dat de schaats wegglijd zodra er druk op komt.;
  • Hiel voorste been te ver omhoog. Niet genoeg gewicht op de punt in het ijs en deze slipt weg bij de start;
  • Hiel voorste been te laag. Te veel druk en spanning op het been;
  • Achterste schaats staat niet in een hoek van 45 graden t.o.v. de startlijn met als gevolg dat deze wegglijd bij de start;
  • Boven lichaam gedraaid (meestal schouder naar beneden gedraaid richting het ijs) Dit neemt druk weg van de achterste heup;
  • Hoofd naar beneden. De billen komen (te ver) omhoog;
  • Armen te dicht bij het lichaam. Zorgt ervoor dat er bij de start minder moment ontstaat en dus minder snelheid;
  • Armen te ver van het lichaam. Tijdens de start gaat het lichaam te veel draaien;
  • Achterste knie te ver naar binnen. Alle druk is al op de bal van de achterste voet en kan nergens heen en daardoor gaat het voorwaarts en sprong vermogen verloren. De enkel kan dubbel klappen.