Binnendoor passeren

Binnendoor passeren bij shorttrack
Gebaseerd op ‘The Inside Pass’ door Susan Ellis

Passeren is een belangrijke vaardigheid bij shorttrack. Toch gaat het vaak mis bij veel schaatsers door gebrek aan- of ontbreken van een goede voorbereiding voor het echte passeren. Vooral bij wedstrijden van de pupillen zie je regelmatig dat de ene schaatser kort achter de andere schaatser zit, maar niet in staat is deze te passeren. De achterste schaatser laat een klein gaatje vallen, begint vervolgens in de bocht te versnellen om  voldoende snelheid te hebben om te passeren. Dit lukt vaak niet omdat de baan van de achtervolgende schaatser gelijk is aan die van de tegenstander.

Een regel in het passeren is het veranderen van de te volgen baan in de bocht ten opzichte van de tegenstander. Aan de binnenkant passeren bij het uitkomen van de bocht is veel eenvoudiger wanneer je in de bocht je tegenstander volgt  in de bocht waarbij jouw binnenste schouder in lijn is met de buitenste schouder van de tegenstander. Je gaat dieper zitten in de bocht, halverwege de bocht heb je meer snelheid zit recht achter de tegenstander en bij het 6e blok valt er vaak een gaatje waar je door de hogere snelheid snel kunt passeren.

Vier redenen om te volgen op de buitenste schouder:

- Het verandert je baan in de bocht zodanig dat je deze wijder in gaat en dieper kunt zitten. Door de bocht wijder in te gaan kun je meer snelheid maken bij het ingaan. Het dieper zitten geeft je ook nog eens meer snelheid;
- Door de bocht wijder in te gaan kun je er krapper uit komen, je verlegd als het ware de bocht. Je kunt de bocht ondanks de hogere snelheid makkelijker strak langs het 6e en 7e blok rijden;
- Door de ruimere bocht kun je vaker overstappen in de bocht waardoor je meer snelheid kunt maken;
- Het voorkomt dat je klem komt te zitten in de bocht door iemand die buitenom probeert te passeren.

binnendoor passeren in 8 stappenWanneer er een concurrent achter je zit dan wil je uiteraard niet dat die binnendoor passeert terwijl jij je aan het voorbereiden bent om te gaan passeren. Bij het uitkomen van de bocht van de zit je een beetje achter de binnenste schouder van de persoon voor je ( positie nr.1 op het plaatje) Richting het midden van het rechte stuk schuif je op naar een positie recht achter je tegenstander (pos.nr2). Gelijk daarna schuif je nog verder op naar een positie direct achter de buitenste schouder van je tegenstander (pos.nr. 3). Blijf achter de buitenste schouder en ga dieper zittend de bocht in (pos.nr 4 ;dit creëert een klein gaatje, dat eenvoudig te overbruggen is met de hogere snelheid die je maakt door het dieper zitten en wijder de bocht in gaan)

In het midden van de bocht ga je naar binnen toe en kom je direct achter je tegenstander te zitten (pos.nr.5) Zodra er dan een gat valt tussen je tegenstander en de blokken (meetsla rond blok 6) begin je met het passeren (pos.nr 6) Je moet je tegenstander zijn gepasseerd voor de rode lijn (of uiterlijk de 2e blauwe lijn)  en blijf op hoge snelheid schaatsen op het rechte stuk (pos.nr.7) Je buigt zo snel mogelijk (nog op het rechte stuk) een stuk richting de boarding om wijdt voor de bocht uit te komen en deze zo op de hoogst mogelijke snelheid te kunnen nemen, zonder bij het uitkomen een gaatje te laten vallen (pos.nr.8)

Passeren op de hoogste snelheid is een absolute voorwaarde. Wellicht lukt het een aantal keren wel op lagere snelheid, maar meestal zal het niet succesvol zijn. Wanneer je er voor gaat, ga er dan volledig voor!

Om het binnendoor passeren goed uit te voeren moet je dit regelmatig oefenen.  Tijdens de training rondjes rijden zorgt voor een prima conditie echter niet voor de juiste vaardigheden om een wedstrijd te winnen.

Een goede oefening is de ½ baan passeerbeweging. Begin in tweetallen en ga bijvoorbeeld 5 rondes schaatsen. Het doel is ieder halve baan een passeractie te maken. Iedere schaatser maakt dus 1 passeeractie per ronde. Wanneer het voor het eerst wordt geoefend begin je op ongeveer 70% van de maximum snelheid.  Bij het juist uitvoeren van de oefening, krijg je vanzelf een goed gevoel bij het opzetten, het ritme en de juiste timing van het passeren. Het passeren wordt een gewoonte! Na een aantal weken van oefenen is het passeren een tweede natuur geworden en kan de oefening op hogere snelheid worden uitgevoerd. Houdt daarbij rekening met je trainingspartner, deze moet je wel kunnen volgen en de passeerbeweging kunnen oefenen, anders bestaat het trainingsprogramma weer alleen uit rondjes rijden.

Een ½ baan oefening voor de jeugdige schaatser is bijvoorbeeld:

3 x (3 x 5 rondes met 2r rust) 5r rust, snelheid 70-80%.
3 series van 5 rondes met daartussen 2 minuten rust. Dit dan 3 x uitgevoerd met tussen iedere uitvoering 5 minuten rust. Wanneer de training na enige weken van oefening goed verloopt kan het programma op hogere snelheid worden vervolgt door de volgende oefening:
5 x (6 x 2 rondes met 2r rust) 5r rust, snelheid 85-90%.